Vroeger…

Sinds 1909 bestaat de naam De Golfslag in Wassenaar. In die tijd waren de voorzieningen zeer beperkt en bestond het paviljoen ook uit niet meer dan vier stokken en een stukje zeil, later werden de paviljoens kleine houten strandtenten, die inmiddels zijn uitgegroeid tot de paviljoens die er vandaag de dag staan.

De familie Plat heeft in het verleden de exploitatie gevoerd van de Golfslag. Oma Plat heeft in het verleden de eerste aanzet gemaakt, waarna zij werd opgevolgd door haar zoon Cor Plat. Hij trouwde met Ger en voegde twee kleinere strandtenten samen tot de Golfslag, waardoor het nu het grootste strandpaviljoen van Wassenaar is. Aan het einde van de jaren tachtig is de exploitatie overgenomen door de zoon Hans van der Marel, samen met zijn vrouw Susan heeft hij het bedrijf de afgelopen jaren voortgezet.

Harold Tjepkema is geboren en getogen in Wassenaar en is al vanaf zijn 15e jaar werkzaam geweest bij de Golfslag. Eerst bij “tante Ger en ome Cor”, de vieze vaat ophalen en later diverse jaren bij hun zoon Hans als algemeen medewerker. Hij heeft altijd al de wens gehad om een strandpaviljoen te exploiteren en in 2009 is deze droom werkelijkheid geworden.

Stukje krant AD 2011

De Nederlandse strandtent is van eenvoudige barak met frites en ijs geëvolueerd tot trendy locatie om te verpozen, ver na zonsondergang. Al kan de mode zo weer omslaan.

‘Olijfbomen. Die zijn het nu helemaal. Je ziet ze overal. Ik weet niet waarom eigenlijk, maar het staat wel leuk’. Harold Tjepkema (44), eigenaar van strandpaviljoen De Golfslag aan de Wassenaarse Slag, wijst naar een boompje, nauwelijks groter dan de drie kleuters die blootsvoets over het plankier hobbelen.

Voor een doordeweekse ochtend zit het terras goed vol. Het is een voorseizoen uit duizenden. ‘We zijn al tien weken aan het knallen’, zegt Tjepkema. Hij klopt meteen op de onderkant van het tafelblad – ongeverfd hout – ‘het moet wel doorzetten. Vorig seizoen was ’t belabberd’.

Drie zomers geleden nam Tjepkema De Golfslag over. Hij stak de hele zaak in het nieuw: de voorheen roodwitte voorgevel is nu mat grijs en er staan steigerhouten borreltafels en stoelen. De menukaart prijst het Broodje Italië aan en de gegrilde dorade – ‘geen noordzeevis, dat is wat chiquer’. Als het dit weekend mooi wordt, zet hij loungebanken buiten.

Toen Tjepkema het paviljoen van ver familielid Hans van der Marel (59) overnam , zag het er heel anders uit. ‘Het was een mooie tent, hoor, maar in de uitstraling kon ik mezelf niet vinden. Plastic, een hoop rood. Een beetje een McDonald’s. En Hans deed afhalen, zelfservice. Tegenwoordig willen mensen het wat luxer. Maar Hans vindt het waarschijnlijk net een crematorium, nu’.

‘Dat valt wel mee’. Van der Marel is nog steeds trots op de tent waarvan hij tussen 1986 en 2008 eigenaar was. ‘Harold heeft het concept een vernieuwd hierzo. Feesten en partijen, dat is de nieuwe trend. Dat is mooi, maar ik ben er een beetje te oud voor’. Tjepkema : ‘Die feesten lopen ontzettend goed. Het strand is relatief goedkoop, dus wij profiteren enorm van de crisis. Ik krijg zoveel aanvragen per mail, dat is gewoon niet normaal meer.’

De metamorfose van De Golfslag staat niet op zichzelf. Van een barak waar je patat, ijs en bier kon halen heeft het strandpaviljoen zich de afgelopen tien jaar ontpopt tot loungelocatie, waar well-to-do dertigers in het flakkerende licht van de vuurkorf gamba-spiezen nuttigen.

Net als een eeuw geleden, toen het prille strandtoerisme vooral voorbehouden was aan de bovenklasse. Wie kent ze niet: de korrelig gefotografeerde ansichten waarop dames, in hoogsluitend badpak gehesen, wuft zwaaiend poseren terwijl heren, zo ontspannen als het liggen in lange broek toelaat, een sigaartje roken. Tot in de jaren vijftig gold een dagje strand als het meest exotische uitjes op Nederlandse bodem.

De grootouders van Van der Marel baatten De Golfslag uit sinds 1909: ‘Toen waren het vier linnen tentjes en een grote tent. Elke avond haalden ze hem neer en begroeven ze het ding in een grote kuil met bekisting, tafeltjes stoelen, alles ging erin. Zeiltje erop en de volgende dag alles weer opnieuw. Zo ging het acht maanden per jaar, van april, tot oktober’.

De enige tastbare herinnering aan die tijd is de grote, handgeklopte poffertjesplaat. Die overleefde zelfs een grote brand in 2000. ‘Gaslek’, zegt Hans. De littekens zijn nog zichtbaar onder zijn opgestroopte hemdsmouwen. ‘Maar die plaat is er nog – al werd hij na de brand te pakken genomen door een bulldozer. Toen heb ik ‘m laten restaureren. Het is een familiestuk’.

Tot de jaren zestig, duurde een stranddag tot een uur of zes. Daarna gingen de mensen naar huis om te eten. ’s Avonds was het strand stil. Begin jaren zeventig veranderde dat. Hans: ‘De mensen bleven langer, dus ging m’n moeder avondmaaltijden verzorgen. Er kwam een sateetje, een hamburgertje’.

In de twee decennia die volgden, beleefde het Nederlandse strand wilde jaren: het is de tijd die door Boudewijn de Groot werd bezongen in ‘Strand’: ‘Waar kan je liggen in het zand / totdat je hele lijf verbrandt / Waar kan je zuipen als een beest / waar vind je vrienden voor elk feest’.

‘Ja, dat was mooi’. Van der Marel grijnst: ‘Elke zaterdag zat het vol met voetbalploegen. En maar drinken, er gingen vaten bier doorheen’. Vanaf de jaren negentig werd dat minder – waarom weten ze eigenlijk niet. ‘Mensen gingen niet meer naar het strand om te drinken, maar voor een warme hap. Dat zet zich nu nog steeds door’.

Het hedendaagse strandleven wordt bezongen door Bløf, in hun hit ‘Aan de kust’ uit 2003: ‘Hier aan de kust, de Zeeuwse kust / Waar de mensen onbewust / zin in mosselfeesten krijgen / en van eten slechts nog zwijgen, als ze zat zijn en voldaan / en weer rustig slapen gaan’.

Het zijn de wensen van het publiek die veranderen, niet het publiek zelf, vinden Van der Marel en Tjepkema. De Wassenaarse Slag is altijd een gezinsstrand geweest. Pas de laatste jaren zie je er meer jongeren. Tjepkema is er blij mee. ‘Dan gaat het een beetje leven. Ik miste de jeugd. Die gingen naar Scheveningen. Ik speel er wel op in: van de zomer komt radio Decibel hier draaien en de andere doen ook zulke dingen’.

Voorlopig is hij dik tevreden met zijn zaak, maar in zijn achterhoofd is Tjepkema altijd met de toekomst bezig. ‘Alles is afhankelijk van de trends, en die veranderen steeds sneller. Misschien moet je over tien jaar wel denken aan het neerzetten van een hele nieuwe zaak, met een andere uitstraling.

Van der Marel heeft zijn hele leven op het strand van Wassenaar doorgebracht. Tjepkema knipoogt naar zijn voorganger. ‘Hij kan niet zonder’. Van der Marel beaamt dat. ‘Zelfs in de vakantie zit ik op het strand, in Gran Canaria. De rest van de zomer zit ik gewoon hier.’ In een klein strandtentje verkoopt hij badkleding, emmertjes en schepjes. ‘Zo zit ik er toch nog een beetje in en verdien ik ook nog een zakcentje’.

Op een van de houten banken met uitzicht op zee zit de 80-jarige Bram de Voogt. Naast hem slobbert zijn teckel Moenka een bak water leeg. Bram komt hier vrijwel elke middag, al ruim veertig jaar. ‘Zodra ze mij en de hond zien, wordt de fles Jägermeister uit de koelkast gehaald. Mijn drankje staat al klaar voor ik er ben’. Hij lacht: ‘Mijn vrouw gelooft alleen nooit dat het bij één drankje blijft’.

Bram herinnert zich nog goed hoe het vroeger was. ‘Toen had je hier veel bekakte mensen uit Wassenaar die graag buiten wilden eten, maar die zich ervoor schaamden om dat in de stad te doen. Veel van die mensen kwamen ook anders nooit naar het strand.’ Hij schudt zijn hoofd, ‘dat snap je toch niet?’ Dat de Golfslag moderniseert vind hij niet erg. ‘Vroeger kon je hier alleen patat en vis halen, maar dat hebben ze mooi aangepakt.’